Category Archives: sociaal

Het syndicaal overleg voor het personeel van lokale besturen (1)

Dat syndicaal overleg tussen vakbonden en de lokale overheid betreft in feite twee overlegorganen:  enerzijds het Hoog Overlegcomité (HOC)  en anderzijds het Bijzonder Onderhandelingscomité (BOC).
In de praktijk evenwel kennen beide organen een gelijke samenstelling zodat de vergaderingen gezamenlijk gebeuren. We spreken dan over het HocBoc.

Overleg”  gaat over voorstellen tot vaststelling of aanpassing  van de personeelsformatie, maatregelen van inwendige orde en regelingen m.b.t. arbeidsuur  en organisatie van het werk.
Onderhandeling” slaat op de vaststelling of aanpassing van het personeelsstatuut (genaamd: rechtspositiebesluit), bezoldigingen, pensioenen, de relatie met de vakorganisaties, de sociale diensten, maar ook op algemene verordeningen met het oog op de latere vaststelling van de personeelsformatie  , de organisatie van het werk, de arbeidsduur.

Bij de HoCBoc  bestaat de delegatie van Stad uit personen bevoegd om het betrokken bestuur te verbinden. (De schepen van personeel is daar niet bij.) De burgemeester is ambtshalve voorzitter van beide  organen. De voorzitter van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn is ondervoorzitter. Naast de schepenen zetelen ook een secretaris, en technici (ambtenaren). (De namen volgen later.)

Er is naast de HocBoc ook nog een basisoverlegcomité van Stad/OCMW m.b.t. de materie welzijn op het werk.  Er is niet bepaald wie daarvan de voorzitter is maar volgens de regelgeving mag de burgemeester dit bepalen.  Hij heeft dan ook zichzelf verkozen. Een maximum aantal leden is niet bepaald. In Kortrijk gaat het zowel voor Stad als OCMW om dezelfde  7 leden en twee secretarissen (technici).

P.S.
Het is voor het eerst dat we inzage krijgen van de stadsdelegaties in die diverse comités.
De vakbondsdelegaties kennen we nog altijd niet.
Raar is nog dat in Collegebesluiten aangaande de besproken materies  nooit verwezen wordt naar verslagen van die comités.

Evolutie van het aantal dossiers (equivalent) leefloon

2012:  1.557 dossiers
2013:  1.469
2014:  1.385
2015:  1.327
2016:  1.410
2017:  1.501

Het leefloon is een financiële tegemoetkoming aan minvermogenden (zij die niet kunnen leven van hun eventueel inkomen).  Het bedrag is afhankelijk van de familiale toestand: samenwonenden, alleenstaanden, samenwonenden met gezinslast.
Een equivalent leefloon (zelfde bedrag) kan toegekend aan personen die om een of andere reden geen recht hebben op een leefloon maar in een vergelijkbare noodtoestand verkeren.  Bijv. te weinig inkomen voor voeding, kleding, wonen.

Uit bovenstaande tabel blijkt dat al eind 2015 eigenlijk het aantal dossiers leefloon is beginnen toenemen na een periode van stagnatie/daling.
De trend zet zich voort zowel in 2016 als in 2017.  In 2017 was er een globale toename van +91, zijnde een combinatie van een toename van 109 dossiers leefloon en een  afname van 18 dossiers equivalent leefloon.

Het procentueel aandeel jongeren (minder dan 25 jaar) daalt lichtjes (32,4% in 2017) maar hun aantal blijft lichtjes toenemen:  486 dossiers in 2017 en 480 in 2016.  (Dat is veel hoor.  Beetje alarmerend.)

Wat dat allemaal kost?
In 2017 ging het om een bedrag van 6.197.473 euro. Maar!  Er was een subsidie  van 4.818.759 euro (77,8%) en een terugvordering van 228.855 euro (37%).
De netto- tussenkomst ten laste van ons OCMW bedroeg vorig jaar dus “slechts” 1.149.859 euro (18,6%).

De stijging van zowel de kost als de netto-tussenkomst in 2017 is wel nogal opvallend
.  (De bedragen voor het leefloon stegen trouwens ook.)
– 2016:  4.54.673 euro.  Netto:  774.571 (17,0%).
– 2015:  3.968.592 euro. Netto:  839.690 euro (21,2%).
De significante toename van de uitkeringen leefloon met méér dan 1 miljoen wijt het OCMW vooral aan de uitstroom van ex-asielzoekers (zo heet dat) en arbeidsmarktverstrengende maatregelen inzake werkloosheidsuitkeringen.

P.S. (1)
De subsidies voor het leefloon aan de OCMW’s komen van de “Programmatorische Federale Overheidsdienst (POD) Maatschappelijke Integratie.
P.S  (2)
Onze locale perse (die van de dode bomen) vindt dat allemaal niet interessant.  Onze lezers wel.

Kansarmoede-index even relativeren (4)

Onze OCMW-voorzitter en schepen Philippe De Coene toont zich daar een meester in.
In de vorige editie van deze krant vertelden we daarover.  Hoe hij bij meevallende (dalende) indexcijfers van ‘Kind en Gezin’ voor Kortrijk meteen van oordeel was dat men dit had te danken aan zijn armoedebestrijdingsplan.
Maar nu de indicatoren van kinderen in kansarme gezinnen in Kortrijk al tweemaal zeer fors zijn gestegen luidt het plots dat er “geen oorzakelijk verband (bestaat) tussen de jaarlijks index en de lokale inspanningen (of het gebrek eraan). (“De Morgen” van 13 juni.)
Meer linksgerichte armoededeskundigen (bijna allemaal) wijten de stijgingen van de index in Vlaanderen overigens aan het gevoerde regeringsbeleid, zowel federaal maar vooral Vlaams.  (En niet in het minst en bovenal ligt de schuld bij minister Liesbeth Homans.)  Zij vinden dat de bevoegde ministers meer doorgedreven structurele inspanningen moeten leveren op het vlak van tewerkstelling, inkomensbeleid, dienstverlening (bijv. kinderopvang), huisvesting. Enzovoort.

Op te merken valt dat ook ‘Kind en Gezin’ zelf een genuanceerde toelichting verstrekt over de interpretatie van evoluties van de kansarmoede-index.
Wat voor zaken moet men in het achterhoofd houden als men de index wil gebruiken om beleid te beoordelen?
1.
K&G beoordeelt kansarmoede enkel voor zeer jonge kinderen.  Inspanningen  of trajecten in lokaal beleid voor alle kansarme gezinnen/kinderen vertalen zich daarom niet in een daling van de cijfers.  (In Kortrijk is bijvoorbeeld het effect van de casemanagers in 254 gezinnen en de brugfiguren in de basisscholen bij mijn weten niet gekend.)
2.
De registratie  is een momentopname.   Inspanningen of trajecten die in de concrete gezinnen worden opgezet, leiden niet tot een nieuwe beoordeling (registratie).
3.
Door de berekeningswijze is de index ook gevoelig voor verhuisbewegingen en voor de instroom van inwijkelingen waar bijv. lokale besturen niet altijd vat op hebben.
4.
Door de rollende berekening van de index werken kansarmoedecijfers uit en bepaald geboortejaar 3 jaar door op  de index.
5.
K&G bekijkt de kansarmoede op 6 levensdomeinen.  Beleid dat zich op andere zaken richt zal niet zichtbaar zijn in de cijfers.
6.
Werken aan meer structurele factoren (zoals bijv. de arbeidssituatie) zal pas na geruime tijd effect hebben.

En K&G besluit:
De kansarmoede-index lijkt ons dan ook minder geschikt om het succes of falen van recente beleidsinspanningen aan te tonen.  De  index is  vooral een belangrijke signaalindicator voor beleidsmakers die aangeeft dat er absoluut beleidsinspanningen nodig zijn.

Kansarmoede-index even relativeren (3)

Toen het bij OCMW-voorzitter Phillipe De Coene (SP.A) begon te dagen dat tussen 2009 en 2012 volgens de metingen van Kind&Gezin de ‘kinderarmoede’ in Kortrijk was  gestegen van 7,5% naar niet minder dan 18% viel hij bijna van zijn schepenstoel.  Een en ander was duidelijk te wijten aan slecht beleid van de vorige coalitie (CD&V en VLD) en zeker niet aan  het armoedebeleid van SPA-minister Ingrid Lieten die met miljoenen gooide naar lokale projecten.

Vandaar dat de schepen van armoede al eind 2013 triomfantelijk uitpakte met een heel ambitieus armoedebestrijdingplan met 185 (200? ) acties die in de periode 2013-2109 wel 30 (32?) miljoen mochten kosten.
En jawel hoor.
In 2014 zakte de K&G-indicator naar 15,9% en zelfs naar 12,9% in 2015.
“Het plan rendeert,” zo liet de schepen via WTV weten aan de bevolking.  En her en der (tot in het buitenland toe) werd hij gevraagd om zijn beleid uiteen te zetten.

Maar toen viel de eerste bom.
Een nieuwe K&G-index voor Kortrijk (gepubliceerd in juni 2017) inzake ‘kinderarmoede’ steeg van 12,9% (2015) naar 17,4 %.   Niet significant verschillend van de rampzalige 18% onder het vorige bestuur.
Via de plaatselijke media liet de schepen weten dat hij waarlijk heel verrast keek naar die forse stijging van de ‘kinderarmoede’.  “We gaan onmiddellijk contact zoeken met K&G om een “rekenkundige interpretatie” te doen van de cijfers,” (WTV 16 juni 2017).  Hij  zou ook (met een groep experten) de cijfers in detail analyseren en waar nodig het beleid bijsturen.  (HLN 17 juni 2017.)
Niets meer van gehoord.

Terwijl er intussen alweer een bom is gevallen.
Op 12 juni ll. kwam K&G op de proppen met een nieuwe kansarmoede-index, ook voor de deelgemeenten van Kortrijk.  In de periode 2015-2017 steeg het aantal kinderen tussen nul en drie jaar, levend in een kansarme gezinssituatie van Kortrijk-Stad van 24,0%  naar 25,4%.  Enkel in de deelgemeente Bissegem was er een (lichte) daling.

In “De Morgen” (13/06/2018) heeft schepen De Coene daar kwik op gereageerd.
(Wist hij al van die gegevens?)

Op een verrassende wijze die toch wel  – voor wie hem kent –  te verwachten viel.
–  Eerst schrijft hij dit: “In een gemeente waar de cijfers dalen, heeft het bestuur de neiging om zich op de borst te kloppen.  Stijgende cijfers dienen plaatselijk dan weer als munitie om er het bestuur het vuur mee aan de schenen te leggen.”
(Jawel. De schepen zelf heeft zich daar in het verleden duchtig aan bezondigd.)
–  Maar nu schrijft hij dadelijk hierna het volgende:  “De cijfers worden daarmee echter oneigenlijk gebruikt en dus niet waarvoor ze bedoeld zijn.”
– En hij vervolgt met een citaat:  “Kind en Gezin zelf laat gemeenten weten dat “de kansarmoede-index minder geschikt is om het succes van allerhande lokale inspanningen op korte termijn te  meten”.
( De tekst bij K&G is lichtjes verschillend: “…minder geschikt om het succes of falen van recente beleidsinspanningen aan te tonen.  De index is vooral  een signaalindicator  (…) dat er absoluut beleidsinspanningen nodig zijn.”)

“Anders gezegd  – zo vervolgt de schepen stellig –  er is geen oorzakelijk verband tussen de jaarlijkse index en de lokale inspanningen (of het gebrek eraan).”
De schepen roept bij deze vaststelling de hulp in van de onvermijdelijke armoededeskundige en bevriende Wim Van Lancker die al bij de lancering van de index in 2017 (??) tweette:  “Als de nieuwe armoede-cijfers iets duidelijk maken, dan wel dat ze ongeschikt zijn om het effect van lokaal beleid te meten.”
(De prof haat zowat Liesbeth Homans:  ” Met dit regeringsbeleid kan men geen daling verwachten.” (DM van 13/06/2018.)

Anderzijds is schepen De Coene toch van oordeel dat de cijfers van K&G wel degelijk (potentiële) gebruikswaarde hebben.  Maar dan moeten gemeenten weten welke mensen (gezinnen) achter die cijfers schuilen.  Hij doet een oproep aan K&G: “Laat het ons, met hun toestemming weten.”
Vandaar ook de titel van zijn stuk in DM:  “Geef ons de mensen achter de armoedecijfers.”
(Wat met het beroepsgeheim bij K&G??)

(Wordt vervolgd.)

Recente kansarmoedecijfers voor Kortrijk en de deelgemeenten (2)

Op 12 juni publiceerde “Kind en Gezin” opnieuw zijn kansarmoedecijfers voor alle Vlaamse gemeenten en bepaalde gebieden.
Laten we wat ingaan op de betekenis van die cijfers en hoe men daartoe komt.
(Er bestaan daar heel wat misverstanden over.)

Wat is kansarmoede?
Niet te verwarren met het begrip ‘armoede ‘op zichzelf.
Bij armoede is enkel het financiële tekort benadrukt.  Het beschikbaar inkomen (van het huishouden) ligt dusdanig laag dat men niet meer in staat is om met dat bedrag te voorzien in de meest elementaire behoeften.  (Een alleenstaande bijv. die netto per maand moet leven van 1.139 euro verkeert in ‘monetaire risico-armoede’.)
Bij kansarmoede gaat het om een multi-aspectuele armoede-situatie.
Naast een relatief laag inkomen wordt deze armoede gekenmerkt dan door een veralgemeende achterstelling of zelfs uitsluiting op het vlak van opleiding en vorming, huisvesting, welzijn en gezondheid, vrijetijdsbesteding en cultuur, politieke en sociale zeggingskracht.
“Kind en Gezin” omschrijft kansarmoede dus als volgt:
“Kansarmoede is een toestand waarbij mensen beknot worden in hun kansen om voldoende deel te hebben aan maatschappelijk hoogwaardige goederen  (zoals onderwijs, arbeid, huisvesting).  Het gaat daarbij niet om een eenmalig feit, maar om een duurzame toestand op verschillende terreinen, zowel materiële als immateriële.”

Hoe wordt geregistreerd of een kind in kansarmoede leeft?
Tijdens hun contacten gaan de regioteamleden van “Kind en Gezin” (verpleegkundigen en gezinsondersteuners) na of er signalen zijn van kansarmoede.
De registratie gebeurt normaliter eenmalig en doorgaans de eerste maanden na de geboorte.  Het is dus een momentopname die latere wijzigingen in de levensomstandigheden niet capteert.
De inschatting van kansarmoede gebeurt voor alle boorlingen waarmee K&G minstens één contact gehad heeft, dus – volgens K&G – voor meer dan 95 procent van de populatie. (Tja.)

Hoe wordt bepaald of een kind in kansarmoede leeft?
De regioteamleden van K&G toetsen elk gezin met een geboorte aan zes vooropgestelde criteria:
–  het beschikbaar maandinkomen van het gezin
–  de opleiding van de ouders
–  de arbeidssituatie van de ouders
–  de ontwikkeling van de kinderen (stimulatieniveau)
–  de huisvesting
–  de gezondheid
Per beleidsdomein wordt een ondergrens bepaald.  (Die we hier nu niet even niet opsommen want te ingewikkeld en ons niet concreet gekend.)
Wanneer nu de leefomstandigheden van een gezin op minstens 3 van de 6 criteria zich op of onder de ondergrens bevinden, dan spreken we over kansarmoede in het gezin.

Berekening van de kansarmoede-index.   
In een vorig stuk zagen we dat de index voor Kortrijk-stad gestegen is van  24,0% naar 25,4 %.  Hoe moeten we dat nu verstaan?
De kranten benadrukken dit te weinig:  het aangegeven indexcijfers slaat op een gemiddelde over een periode van drie jaar. Het Kortrijkse cijfer  van 25,4% slaat dus niet enkel op het jaar 2017, maar wel op de periode 2015-2017.
De kansarmoede-index van het jaar X  is het resultaat van een deling (maal 100).
In de teller staat het aantal kinderen geboren in het jaar X, X-1 en X-2 dat leeft in kansarmoede, en in de noemer het totaal aantal kinderen geboren in dezelfde drie jaren in  de betreffende gemeente of gebied.

Concreet.
Als de indicator van K&G voor Kortrijk-stad bijv. zegt dat die 25% bedraagt dan betekent dit dat in de stad 25 procent van de kinderen tussen 0 en 3 jaar leven in een kansarme situatie.

P.S.
In een volgend stuk gaan we in op de kwestie of de kansarmoede-index kan (mag) gebruikt worden om het succes of het falen van (lokaal) beleid te verklaren.
Voor onze schepen van armoede (de OCMW-voorzitter Philippe De Coene ) is dit een zeer prangende vraag.  Hij weet er geen weg mee.  (Wij ook niet.)

Recente kansarmoedecijfers voor Kortrijk en de deelgemeenten (1)

Het eerste cijfer slaat op het gemiddelde voor de periode 2015-2017.  Het tweede cijfer (tussen haakjes) gaat over het gemiddelde voor de periode 2014-1016.
Nog niet in veel kranten gelezen.
(Bron: Kind en Gezin.)

Kortrijk:  25,4%  (24,0%)
Aalbeke:  13,6  (12,9)
Bissegem:  10,9  (10,7)
Bellegem:  10,3  (12,7)  – een daling!
Marke:  9,2  (8,6)
Heule:  7,7  (6,4)
Rollegem:  7,1  (5,0)
Kooigem: te klein om te noteren.

P.S.
Enige toelichting volgt nog wel.

Drugbeleid in Kortrijk

In maart 2010 startte in Kortrijk een zogenaamde “antenne” van het Medisch Sociaal Opvangcentrum (MSOC) van Oostende,  (Er is nu ook zo’n antenne in Roeselare.)
Dat drugbeleid is niet zozeer onmiddellijk gericht op een doorgedreven ontwenningskuur maar zorgt wel voor een medische en sociale en psychologische ondersteuning van druggebruikers die om een of andere reden elders geen hulp (willen) vinden. Men doet aan “harm reduction”.
Het MSOC werkt daarbij samen met andere drughulpverlenende organisaties uit de provincie: vzw Kompas en De Sleutel.

In 2016 waren er in  95 cliënten “in begeleiding” in het MSOC Kortrijk. (Contactpunt in het voormalige Achturenhuis langs de spoorweg.)  Ongeveer 65% mannen en 15% vrouwen.  In 2017 waren er 102 cliënten.  Er is namelijk een intakestop.   (Waarom?)  Nieuwe dossiers worden verwezen naar Kompas of MSOC Oostende,
Hoofdproblematiek is heroïne, aangevuld met problematisch gebruik van alcohol en medicatie.
Vanuit de stad wordt tegenwoordig een budget van 16.825 euro ter beschikking gesteld op de rekening van het CAW ZWVL.  Er wordt nog altijd gewacht op een RIZIV erkenning…

Hoe staat het eigenlijk met ons stedelijk marktverhuurkantoor?

Dat we het niet weten!
Dus moet u niet meer verder lezen…

Toch willen we de geabonneerde Kortrijkwatcher-lezer en vooral de neofieten-kandidaten voor de volgende gemeenteraadsverkiezingen dit schoon, maar vergeten (of mislukt??)  initiatief in herinnering brengen.
In een samenwerkingsovereenkomst (die al dateert van in 2014!) tussen Stad,  het OCMW, het autonoom gemeentebedrijf SOK en het sociaal verhuurkantoor De Poort is er al sprake van de oprichting van een  stedelijk verhuurbedrijf.  Door iemand alhier afgekeken van Gent.  (Of het daar is gelukt weten we ook niet.) 

Uiteindelijk is dit alles dan op 6 juli 2016 gebeurd onder de naam vzw Marktverhuurkantoor (MVK).   De oprichtingsakte verscheen in het Staatsblad van 5 augustus 2016 met als bestuurders mensen van het AGB SOK (voorzitter is schepen Maddens), De Poort,  N.V. Pandenfonds ook al, en  om er nog een hele soep van te maken ook vertegenwoordigers uit de sociale beroepsmensen-sector tevens nog iemand van de cvba ETHIMMO.

De vzw is pas echt ergens operationeel van start gegaan in april 2017 met – zoals gewoonlijk – in alle plaatselijke “embedded media”  heuglijke mededeling dat het stedelijk verhuurbedrijf drie (3) appartementen (in de Rekolettenstraat) ter beschikking had.  Intussen hebben we op heden nog  weet van één,  op het Overbekeplein.

(Wie van méér weet, zeg het maar nu!)

Het streefdoel van het MVK is wel degelijk dat er per jaar 25 woningen  of appartementen zouden aangeboden worden aan – laat ons zeggen: huurders met modale inkomens –  met een totaal van 100 plaatsen over een periode van vier jaar.
Stad Kortrijk (de tripartite) voorziet voor de periode 2015-2019 (sic) een totale financiële bijdrage van niet minder dan 350.000 euro  voor de opstart en de exploitatie van het MVK.
Voor 2018 is de laatste schijf van 50.000 euro al uitbetaald.  Vanaf 2019 rekent men (wie?) op een structurele bijdrage op basis van een evaluatie en de eventuele  (ja!) voortzetting van de samenwerkingsovereenkomst van 2014.

OEI.
We vergaten bijna te vertellen wat de specifieke  taak is van het MVK, en waarin dit bedrijf verschilt met het sociaal verhuurkantoor (SVK) De Poort.
Wel.  Wie niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning van bijv.  De Poort (de huurder heeft bijv. een net ietwat te hoog inkomen, maar kan evenwel de huurprijs op de reguliere markt evenmin net  NIET aan) kan zich wenden tot het MVK.
Dat MVK zoekt in Stad woningen op die dan kunnen verhuurd voor 500 tot 750 euro.  Gemiddeld zowat 550 euro.  Bij eigenaars die wat garantie willen dat hun huurder beetje deftig en solvabel is.

Het MVK gaat chronologisch te werk volgens inschrijvingen.  Het SVK hanteert een wachtlijst volgens een wettelijk bepaald puntensysteem.
Hoeveel  woongelegenheden het MVK kon bemachtigen (prospecteren) sinds april 2017 en/of tot hiertoe kon aan de man brengen weten we dus niet.
(En dat kantoor van MVK is ook moeilijk te vinden. )

P.S.
Traditioneel komen in de gemeenteraad van mei de jaarverslagen en rekeningen ter sprake van Stad zelf, van de AGB’s (dus ook van de SOK) en de gemeentelijke vzw’s.  Dit is dit jaar (14 mei) blijkbaar niet het geval…

24 kandidaten – één geslaagd

Kortrijk telt 5 gebiedswerkers, werkzaam in 14 deelgebieden.
Niemand die het heeft gemerkt, maar al sinds eind vorig jaar is er geen gebiedswerker meer aan het werk in bepaalde deelgebieden in Kortrijk (west, oost, zuid en Kortrijk-Weide) plus Aalbeke en Rollegem.

Er was dus een plaats vacant.
Aan het toelatingsexamen deden er 24 kandidaten mee. Voor de tweede (mondelinge) proef bleven er nog 5 over.
Uiteindelijk is er daarvan één iemand geslaagd.  (Haar naam, e-mailadres en telefoon  staat nog altijd niet op de website van Stad.  Wat nu?)

Vroeger waren de gebiedswerkers eigenlijk vooral bezig met de O.C’s.
Nu worden ze geacht de leefbaarheid van hun gebied te behouden of te versterken.  Hoe ze dat doen , dat weet geen mens.  Ze hebben ook een detectiefunctie: zowel bedreigingen als opportuniteiten signaleren aan het stadsbestuur.

P.S.
Geachte Kortrijkse bewoner en lezer van deze krant.
–  Weet u wie uw gebiedswerker is?  Al gezien of gesproken?
–  Idem voor de ‘wijkagent’.
Zouden we al dit soort mensen niet beter vervangen door camera’s?

 

Geraamde kostprijs opening verlaagde Leieboorden

Op 24 maart was er een feestelijke opening van de verlaagde Leieboorden.
Het schepencollege heeft hiervoor netjes afgerond 20.000 euro voorzien.
–  Voor de drank alleen (drugs )al 10.550 euro,
–  Eten (hapjes, broodjes, )  3.000 euro.
De organisatie TEA TECH (uitbesteed??) vroeg 5.000 euro.
Verder waren er nog wat kleine kosten voor medewerkers (1.000 euro), tafels (500 euro), springkasteel (500 euro).

De opkomst was groter dan verwacht zodat de kosten nog kunnen oplopen.