Category Archives: gemeentefinanciën

Stand van zaken in het exploitatiebudget, halverwege dit jaar


Eerst de uitgaven op 30 juni
Toen was er voor 93,6 miljoen effectief geboekt.
Nu moet u weten dat er voor geheel dit jaar volgens het meerjarenplan voor een totaal aan uitgaven voor 198,1 miljoen is gebudgetteerd! Er moet dus wel nog iets gebeuren. De realisatiegraad is 47 procent.
– Voor de uitgaven inzake “goederen en diensten” was 69,2 miljoen voorzien.
Hier is er halverwege dit jaar 17,9 M geboekt. Realisatiegraad: slechts 25 procent…
– Qua bezoldigingen stad/OCMW was er voor 103,3 miljoen begroot. Daarvan is in het eerste semester 49,3% besteed.
Dat is dus een normale realisatie: praktisch de helft.
– Van de toegestane werkingssubsidies (bijv. voor politie) is 49,8% van het jaarbudget besteed. Ook normaal.
– Voor de rentekost van leningen zitten we met 2,2 M op 48,1% van de jaarraming.

Nu wat over de ontvangsten op 30 juni.
Het jaarbudget bedroeg in totaal 213,2 miljoen. Daarvan is 86,2 M geboekt oftewel 40,4%.
– Qua fiscale ontvangsten Is in het eerste semester 18,9 M geïnd, oftewel 27,3% van het jaarbudget. (Zie verder.)
– Voor “ontvangsten uit de werking” is 46,7% van de beoogde jaaromzet gerealiseerd. Voorname ontvangten zijn die uit de verkoop van huisvuilzakken en inkomsten uit containerparken.
– Er is in het eerste semester geen enkele verkoop van onroerende goederen gerealiseerd. (Denk aan Doorni-ksewijk 166, Goed te Boevekerke, Amsterdams Poortje.)

Het saldo van de uitgaven en ontvangsten is negatief
We hebben het nog altijd over halverwege het jaar.
Het saldo bedroeg MIN 7,4 miljoen.
Wanneer we ook de kapitaalaflossingen (11,5 M) in rekening brengen bekomen we zelfs een negatieve autofinancieringsmarge van min 18,9 miljoen. En dit terwijl het jaarbudget een AFM van min 3,2 M toestond.
MAAR dat sterke negatieve saldo in het 1ste semester is normaal aangezien de grootste belastingontvangst, met name de Onroerende Voorheffing (35 M), pas in het tweede semester wordt uitbetaald.





EVOLUTIE VAN DE SCHULD BIJ STAD EN OCMW-KORTRIJK

In een vorige editie van deze (niet-geaccrediteerde) stadskrant kreeg u de evolutie van de totale schuld te lezen.
Blijkt nu dat lezers wel eens willen weten hoeveel de schuldenlast bedraagt van de stad zelf als entiteit en ook van het OCMW apart. Men had ook graag de evolutie gezien over een pak jaren heen. (De tripartite dateert van 2013, na de machtsgreep van Quickie bij de verkiezingen van 2012.)
Merk op dat de schuldenlast bij stad na een eerste stijging wat is gedaald en au fond niet buitengewoon overmatig is gestegen.
Tja, als de realisatiegraad van de investeringen laag is (bijv. 50,2% in 2020), er een onderbesteding is bij de exploitatie-uitgaven (vorig jaar 5,1 miljoen), bepaalde ontvangsten beter meevallen dan geraamd, de opbrengsten hoger zijn de kosten (44 miljoen vorig jaar) dan moet je ook weinig gaan lenen

STAD
2014: 175.251.784 euro
2015: 181.309.611
2016: 173.910.938
2017: 156.203.634
2018: 154.715.781
2019: 159.706.308
2020: 147.016.934

OCMW
(Het OCMW neemt steeds meer hooi op zijn…vork.)
2014: 23.047.992
2015: 24.951.771
2016: 24.229.737
2017; 26.209.720
2018: 29.191.515
2019: 37.308.998
2020: 35.311.532

EVOLUTIE VAN DE TOTALE SCHULD, OOK PER INWONER

Voor de jaren 2018, 2019 en 2020 gaat het om de “reële” schuld (aan het eind van het jaar) in die zin dat de bedragen steunen op de jaarrekeningen. Voor de volgende jaren is het een gebugetteerde schuld. Nog opmerken dat in die totale schuld ook de doorgeefleningen aan Parko, SOK, Politie, Kerk zijn vervat (die bedragen moeten we ooit een keer terugkrijgen) evenals de schuldenlast van het OCMW.

2018
195.868.069 euro
Per inwoner: 2.554

2019
199.713.010
2.603

2020
191.070.974
2.478
Maar als we hier enkel zouden kijken naar de eigen leningenen de doorgeefleningen en de boekhoudkundige zgn. Fluvius-schuld buiten beschouwing laten gaat het om een schuld van 147 miljoen hetzij 1.907 euro per inwoner.

2021
195.235.894
2.519

2022
220.066.931
2.826

2023
244.87.781
3.128

2024
251.454.593
3.197

Wat kregen de “verbonden entiteiten” van Stad en OCMW in 2020 ? (2)

ENTITEITEN VAN STAD

– OCMW: aandeel van stad niet te achterhalen want ingekapseld in de jaarrekening van stad.
De laatste ‘gemeentelijke bijdrage’ die ik ken dateert van 2018 en bedroeg toen 12.959.270 euro.
Er was een afspraak dat die bijdrage jaarlijks met 3 procent zou stijgen.
– Politiezone VLAS: 15.085.725 euro
– Brandweerzone Fluvia: 3.670.110 (plus investeringen: 503.010)
– NV Pandenfonds: ? (wordt niet vermeld)
– NV XOM: ?
– Marktverhuurkantoor vzw: 50.000
– Ajko vzw: 64.900 (Waarom is dat een verbonden entiteit?)
– 18 kerkfabrieken: de toelichting bij de jaarrekening heeft het over 1,2 miljoen, zonder investeringen. (De investeringen bedroegen 486.458 euro.)
– Intercommunale Leiedal: 209.983
– Intercommunale Imog: 3.440.567
– Intercommunale Psilon: ?
– Intercommunale Gaselwest: ?
– Zefier cvba: ? (nooit van gehoord)
– De Watergroep: ?
– Culturele Projectvereniging Zuidwest: 50.099

ENTITEITEN VAN HET OCMW

– Vereniging Ons Tehuis: 16.330 euro
– OCMW-vereniging W13: 124.671
– Vereniging Infohos in vereffening: ? (nooit van gehoord)
– Zusters Augustinessen vzw: ? (Soms krijgt het klooster een investeringstoelage.)
– Unie der Zorgelozen vzw: 14.000
– Mentor vzw: 45.000


Over de “verbonden entiteiten” van stad en OCMW (1)

Stad en OCMW kennen wat men noemt: verbonden entiteiten. Dat wil zeggen: instellingen, organisaties waarvoor een verplichting bestaat om rechtsreeks of onrechtstreeks tussen te komen in verliezen of tekorten.
In 2020 kende stad aldus 32 van die entiteiten en het OCMW er 6.
Volgens het meerjarenplan dat is goedgekeurd in 2020 gaat het om 31 entiteiten die aan stad zijn verbonden en 5 voor het OCMW. Het moet dus zijn dat het stadsbestuur toch enige speling heeft in de keuze van zijn zgn. verbonden entiteiten.
We bekijken even die entiteiten voor het jaar 2020 want van dat jaar kennen we de jaarrekening en kunnen we dus opzoeken hoeveel werkingssubsidies (exploitatietoelagen) en/of investeringstoelagen stad en OCMW veil hadden voor hun entiteiten.

In de gemeenteraad heeft men het wel eens over “satellieten”. Men bedoelt dan de meest belangrijke verbonden organisaties: het OCMW, de politiezone VLAS, de brandweerzone Fluvia en soms ook de vroegere autonome gemeentebedrijven SOK en Parko. Maar die laatste zijn – net als het OCMW – nu ook “ingekapseld” in Stad.
Als verbonden entiteiten bij stad horen nog de 18 kerkfabrieken, 4 intercommunales (Leiedal, Imog, Psilon, Gaselwest), de NV’s Pandenfonds en XOM. Verder nog sociale organisaties als de vzw Marktverhuurkantoor en de vzw Ajko, een culturele organisatie als de ‘Projectvereniging Zuidwest’ en tenslotte nog De Watergroep. Van een aantal van die organisaties hebben de meeste Kortrijkzanen nog nooit gehoord, maar van de hierna genoemde cvba zelfs kortrijkwatcher niet, met name de cvba Zefier.

Het OCMW kent in 2020 volgende entiteiten: de Vereniging Ons Tehuis, de OCMW-vereniging W13, de Vereniging Infohos (ons ook onbekend – is in vereffening), de vzw Zusters Augustinessen, de vzw Unie der Zorgelozen, de vzw Mentor.

In een volgende editie proberen we dus te achterhalen hoeveel geld die entiteiten van ons vorig jaar hebben gekregen.
Het is ons niet helemaal gelukt.
Po memorie misschien nog even zeggen wat Stad en OCMW zelf hebben uitgegeven in 2020.
Stad:
– Exploitatie: 116,52 miljoen
– Investeringen: 29,97 miljoen
OCMW:
– Exploitatie: 65,20 miljoen
– Investeringen: 1,04 miljoen.
Daar staan natuurlijk ontvangsten tegenover.


Uit onze rubriek “zagen en klagen”

Waarover willen we nu weer eens mopperen?
U hebt het zeker al eens meegemaakt, dat een bedrijf (winkel) in januari even sluit met de mededeling dat men de inventaris van het voorbije jaar is aan het opmaken.
Zo’n inventaris is een opsomming van investeringen, goederen, voorraden, geldmiddelen, schulden.
In een stad spreekt men van een jaarrekening.
Die komt hier jaarlijks pas tot stand in juni, een enkele keer in mei. Dus zeker nooit in januari…
De jaarrekening 2020 staat nu geagendeerd op de gemeenteraad van maandag aanstaande, 14 juni 2021.
Dit doet er ons aan denken dat er over nog een ander financieel dossier valt te zeuren.
Een gemeente moet nu jaarlijks én verplicht een opvolgingsrapport maken over het eerste semester van het lopende jaar. Dit rapport vermeldt een stand van zaken over de voorgenomen actieplannen, een overzicht van de reeds gerealiseerde ontvangsten en uitgaven, mogelijke wijzigingen in de financiële risico’s.
En dit moet minstens voor het einde van het derde kwartaal voorgelegd aan de Raad. Vorig jaar is men met het semesterrapport voor de eerste helft van 2020 naar de gemeenteraad gekomen in de maand september van dat jaar. Misschien nog net op tijd, maar feitelijk toch rijkelijk laat want men vertelde ons dat de opmaak ervan al dateerde van mei.
Hoe zou het zitten met het semesterrapport van dit jaar? Eind juni nadert!

Nu maar even ophouden met zagen en klagen. Er is veel werk op de plank.
Want het zal heel interessant zijn om beide documenten te vergelijken. Hoe argumenteert men bijv. de realisatiegraad van de investeringen in het semesterrapport 2020 enerzijds en in de jaarrekening 2020 anderzijds? De evolutie van de schuld? De impact van Corona? Etc.
Totaal aantal bladzijden te doorploegen voor resp. beide dossiers: 131 plus 267.

Tot kijk , beste lezer !

“In geen enkele West-Vlaamse centrumstad ligt de de schuld zo hoog als in Kortrijk.” (2)

Dat is dus de uitzonderlijk gewaagde kop van een stuk dat op 17 december geheel onverhoeds verscheen in de regionale editie van ‘Het Nieuwsblad’. Dit is het soort van titel dat je nooit ofte nooit zult te lezen krijgen in het lokale katern van ‘Het Laatste Nieuws’, voor de Kortrijkse politiek een gazet geredigeerd door de volslagen “embedded” journalist Peter Lanssens.

In HN illustreert Kris Vanhee zijn drastische uitspraak met een tabel van de schuld per inwoner in de Vlaamse centrumsteden (één vergeten), voor de periode 2014-2018.
En ja hoor, ook in het jaar 2018 was de rangorde als volgt: 1) Kortrijk (2185 euro per capita, nu met reële correctie 2.568 euro), 2) Roeselare (1.650 euro), 3) Oostende (1.460 euro), 4) Brugge (739 euro).

In onze editie van gisteren gaf onze eigenste gemeenteraadwatcher een tabel ten beste die slaat op meer recente én toekomstige cijfers. Waarvoor dank!
We zagen daar dan dat de gebudgetteerde schuld tussen 2020 en 2024 oploopt van 191,2 miljoen tot 251.4 miljoen. Per inwoner van 2.480 euro naar 3.197 euro.
Het is misschien even het gepaste moment om in ons archief over burgemeester Vincent Van Quickenborne te duiken en om hem te herinneren aan een uitspraak die (weerom) achteraf niet waar is gemaakt: “De schulden zullen niet stijgen, daar sta ik borg voor.” (Nog wel opgetekend in ‘Het Nieuwsblad”, op 26 januari 2016.)

In het fameuze artikel van HN waar we nu naar refereren is wel geen gewag gemaakt van de recente plaats van onze stad inzake de schuld per inwoner, vergeleken met de andere drie West-Vlaamse centrumsteden.
We raadpleegden daarom de (aangepaste, laatste) meerjarenplannen van die steden, speciaal voor dit jaar 2020.
We deelden dus de totale schuld (het budget-document T4) door het aantal inwoners van het jaar 2020.
1. Kortrijk:
191.260.813 euro schuld / 77.109 inwoners = 2.480 euro schuld per capita.
2. Oostende:
168.096.373 euro / 71.800 = 2.341 euro.
3. Roeselare:
Hier zitten we met het probleempje dat de schuld is opgesplitst voor de entiteiten stad, derden, “commercial paper” en De Lijn! We hebben maar alles samengeteld en kwamen aan een totaal van 114.157.805 euro. (Voor de stad alleen gaat het om 98.138.189 euro). Als we het totaal delen door het aantal inwoners (63.500) komen we hier aan 1.797 euro schuld per capita.
4. Brugge:
110.536.993 / 118.700 = 931 euro.

Zo ziet u meteen dat onze stad althans in de provincie ook nu nog altijd koploper is inzake schuld per inwoner.
Over de vergelijking van budgetten met andere steden is natuurlijk veel te zeggen. Over de schuldpositie alvast iets wat maar al te vaak wordt vergeten.
Met name het thesauriebeleid zelf! (In HN van 17 december wordt dit aspect niet aangeraakt.)
– Men dient bijvoorbeeld te vermijden om leningen op te nemen wanneer men over genoeg liquide middelen beschikt. (In Kortrijk is dat alleszins de bedoeling.)
– Voor iedere stad apart is het nodig om zich af te vragen of de schuldenlast al of niet slaat op een geïntegreerde boekhouding. Of de schuld namelijk is geconsolideerd met andere entiteiten zoals OCMW en bijv. vroegere autonome bedrijven. (In Kortrijk is die “inkanteling” nu wel het geval.)
– Zijn de gebruikte leningsinstrumenten wel koosjer? In Brugge werkt men ook met thesauriebewijzen en obligatieleningen. Die zijn in handen van beleggers, niet van een bank.
– En hoe staat het met de aflossingen? Hier dient men de periodieke aflossing van een bepaald jaar af te zetten tegenover de totale schuld van het vorige boekjaar. Dat percentage geeft dan een indicatie van de looptermijn. We deden dat een keer voor 2020 (aflossing: 12.354.283 euro) tegenover 2019 (schuld: 199.710.930 euro). Dat geeft 6 procent oftewel een afbetalingstermijn van 16,6 jaar. Is dat goed? Is dat slecht? (Kenners vinden 8 procent goed, wat dan slaat op 12,5 jaar (100:8). Weet er iemand waarom?)

NASCHRIFT
Beste lezer,
Vergeet deze en andere technische beslommeringen en nog veel andere vragen over goede en slechte schulden, over aflossingen of over grootse investeringsprogramma’s.
Politiek bekeken zou iedere lokale gazet slechts twee zaken moeten onderstrepen:
– dat de schulden steeds maar stijgen in weerwil van de dure eed van Quickie dat dit nooit zou gebeuren;
– dat de realisatiegraad van de investeringen voor dit jaar geraamd wordt op slechts 58 procent.
En in de vorige bestuursperiode 2013-2018: gemiddeld 55 procent.
Als de Kortrijkzanen dit maar onthouden – of te lezen kregen – , dat zou al veel zijn.



“In geen enkele West-Vlaamse centrumstad ligt schuld zo hoog als in Kortrijk” (1)

Dat is de opzienbarende en alhier – zeker journalistiek bekeken – gedurfde kop bij het stuk van Kris Vanhee in de plaatselijke editie van ‘Het Nieuwsblad”, genaamd “Nieuws uit de streek”, dd. 17 december. (Komt niet van ons; kortrijkwatcher zou dit als positivo niet aandurven.)

Concreet zinspeelt Kris dan meer speciaal op de merkwaardige hoogte van de schuldenlast per capita (baby’s incluis) in de (vier) beschouwde steden.
Beetje ambetant is dat er in de titel gewag wordt gemaakt van een vergelijking met onze – niet nader genoemde vier – provinciale centrumsteden terwijl in de (vet gedrukte) inleiding (de journalistieke bekende ‘peptalk’) plotseling sprake is van een vergelijking met ALLE centrumsteden.
Vervelend mankement in het ‘verhaal’ is nog dat onze concullega Vanhee deze onverwacht vermetele uitspraak in het geheel niet staaft met accurate, actuele cijfers over die provinciale centrumsteden, met name Brugge, Oostende, Roeselare en ook Kortrijk zelf.
Intuïtief geloven we zijn bewering wel, maar voor de zekerheid hebben we toch voor dit jaar 2020 (want daarover gaat het NU toch?) dan maar eens zelf de toestand nagegaan. Berekend. Zoals het er nu uitziet. Cf. infra, of wellicht in een volgend stuk.
Waarop baseert de journalist van ‘Het Nieuwsblad’ zich dan om zonder concreet cijfermateriaal te komen tot zo’n erg stoute vaststelling? (Een manmoedige titel die hem bij onze populistische bewindslieden niet in dank zal worden afgenomen.)
Wel, hij publiceert en maakt gebruik van een vergelijkende tabel van de totale schuld per inwoner in de Vlaamse centrumsteden tijdens de voorbije jaren. (Klein detail: slechts 12 van de 13 steden worden vernoemd, want Turnhout is vergeten.) Die tabel slaat op schuldevolutie van de jaren 2014 tot en met … 2018.
De meest recente cijfers voor 2019 en 2020 zijn er dus niet bij.
We menen te weten hoe dat zo komt.
Vanhee citeert een Kortrijkse raadscommissie als bron. Dat zal wel die van juni van dit aflopende jaar zijn geweest, waarin VB-raadslid Wouter Vermeersch vroeg naar zo’n vergelijkende tabel. Maar toen waren de gegevens van de centrumsteden pas tot in het jaar 2018 gekend. Vandaar het ontbreken van de meest recente data.
Uit de in de krant gepubliceerde tabel blijkt intussen overduidelijk dat in al die voorbije jaren onze tripartite wel degelijk per capita in West-Vlaanderen de hoogste schuld kon bewerkstelligen én handhaven. Daar niet van.
Ter illustratie. Al in het eerste werkjaar 2013 van de coalitie (VLD, SP.A en N-VA) bijvoorbeeld bedroeg de totale schuld per kop in Kortrijk 2.118 euro. Gevolgd door Oostende (1.657 euro), Roeselare (1.575 euro), Brugge (801 euro).
Misschien nog een schoonheidsfoutje uit de tabel rechtzetten?
Voor 2018 is voor onze stad een bedrag van 2.185 euro schuld per kop aangegeven. Volgens de laatste info van onze dienst Financiën was de reële schuld per capita in dat jaar evenwel 2.568 euro.

Bon.
De krant doet het niet, dus geven we hier nu per jaar de meer actuele en toekomstige cijfers.
De nieuwe, actuele tabel van de evolutie van de totale schuld met daarbij de schuld per inwoner.
Wel eerst enige belangrijke, broodnodige voorafgaandelijke bemerkingen:
– de totale schuld voor Kortrijk is die zoals op balans nu of later kan voorkomen, met in onze stad inclusief de doorgeefleningen (bijv, aan kerkfabrieken, politie, XOM);
– voor de jaren 2018 en 2019 kon men zich baseren op de reële jaarrekeningen, dus de reële schuld;
– vanaf 2020 en verder gaat het om de gebudgetteerde (geraamde) schuld, daarbij nog met een voorheen nooit gedane consolidatie van de entiteiten stad én OCMW én Parko & SOK.
– vanaf 2021 rekent men simpelweg (al te simpel?) met een groeivoet van 0,5 procent;
– bij de berekening van de schuld per capita houdt men in de evolutie rekening met stijging van het aantal inwoners in Kortrijk van 77.109 naar 79.056 in 2025.
Nuttig om te weten.
Daar gaan we…

2018
Absolute schuld: 195.866.052 euro
Per capita dan: 2.568 euro
2019
199.710.930 euro
2.603 euro
2020
191.260.813
2.480
2021
195.235.894
2.519
2022
220.066.931
2.826
2023
244.87.281
3.128
2024
251.454.693
3.197
2025
252.467.146
3.194

In een volgens stuk moeten we zelf nog de titel van het artikel in ‘Het Nieuwsblad’ waarmaken. Die gewaagde, vergelijkende uitlating over wie nu de hoogste schuld torst bij de vier West-Vlaamse centrumsteden bewijzen. Want de krant doet dat eigenlijk niet.
Wordt dus vervolgd.







Dienstmededeling

‘t Is zondag.
Onze gemeenteraadwatcher is al heel de middag zijn kop aan het breken over dat stuk in “Het Nieuwsblad” (17 december) met als…kop: “In geen enkele West-Vlaamse centrumstad ligt schuld zo hoog als in Kortrijk.”
Goed dat het toch een keer over gemeentefinancies gaat in de gazet, want dat gebeurt in onze regionale kranten haast nooit meer. Terwijl dit soort zaken de burger wel degelijk interesseert, in tegenstelling tot wat onze persjongens daarover denken. (Ja, het is een moeilijke materie…)
Maar het artikel in HN bevat wat schoonheidsfoutjes, laat het ons zo zeggen. We moeten er dus wel even op terugkomen.

Wat betaalt stad aan Lago voor de zwembaden?

Voor de goede orde eerst even zeggen dat Lago een commerciële naam is voor de exploitant van de zwembaden maar dat de naam van de firma eigenlijk S&R is, een grote naamloze vennootschap. Daar gaat het geld naartoe.

Het nieuwe zwembadcomplex Lago aan Kortrijk-Weide
Krijgt volgens het aangepaste meerjarenplan voor dit jaar van ons Kortrijkzanen allemaal (zwemmers of niet) een werkingstoelage van 1.444.962 euro. Volgend jaar: 1.489.000 euro. In 2022: 1.511.000 euro en zo verder stijgend tot 1.578.000 euro in 2025. (Hecht niet al teveel belang aan die bedrage. Zij zullen telkenjare veranderen. Maar zo kennen we wel de orde van grootte van de bedragen.)
Vanwege de corona-sluiting zal Stad volgend jaar een compensatieregeling treffen, waarschijnlijk onder de vorm van een “overbruggingskrediet”. Om hoeveel het zal gaan is officieel nog niet geweten, maar er circuleert een bedrag van 1 miljoen. Arne, de schepen van sport, garandeert dat het absoluut niet zal gaan om een gratis-cadeau.

De zwembaden Abdijkaai (“den openen”) en Lagae-Heule
(In contracten of afspraken worden die altijd samen behandeld.)
Voor beide zwembaden krijgt S&R volgens de ons bekende gegevens een jaarlijkse toelage van 513.185 euro, dienstig voor de uitbating (personeel en zo) en het onderhoud. Grote investeringen zijn voor rekening van Stad, evenals de energiekosten (water, elektriciteit, gas). Toegangsopbrengsten gaan naar Stad. (Nogmaals, volgens wat ons en raadsleden bekend is. Er kunnen zaken veranderd zijn. CD&V-Raadslid Pieter Soens kreeg op die vraag nooit een antwoord.)
Die exploitatietoelage is een soort raming die principieel slaat op 80 procent van de kosten. Na afloop van het jaar komt dan een afrekening met de ware kosten. In 2019 ging het om een netto-kost van 765.180 euro voor beide zwembaden samen.
Maar de regeling zal dus veranderen.
Die nieuwe vorm van betoelaging is tersluiks al in de gemeenteraad van 14 december aanvaard doordat men het bedrag in het aangepaste meerjarenplan heeft goedgekeurd. Maar de raadsleden beseften dat niet ! (Zij hadden er ook geen informatie over gekregen…)
Men zal nu werken met een “prijssubsidie”.
Een bedrag per zwembeurt, exclusief BTW.
– 15 euro tot 45.000 zwembeurten;
– 10 euro tussen 45.000 en 50.000;
– 8 euro vanaf 50.000 zwembeurten.
Zwemclubactiviteiten tellen niet mee.
Ter info. In 2019 telde men in beide zwembaden samen 41.504 beurten.
Bereken nu zelf hoeveel Stad zou betaald hebben als men vorig jaar het systeem al had toegepast. (Probleempje is wel dat we het BTW-tarief niet kennen. Zou het kunnen gaan om 6 procent?)
In het aangepaste meerjarenplan is die “prijssubsidie” voor 2021 geraamd op 810.000 euro. Voor de volgende jaren is voorlopig hetzelfde krediet ingeschreven.

Het staat allemaal niet in de gazetten…