Kortrijks OCMW voert nieuwe berekening in voor aanvullende steun (3)

Wie is de  doelgroep bij de mogelijke verhoging van aanvullende steun?
(Pers is daar waar heel sober over.)

De gazetten wekken – zoals altoos uit onkunde en tekort aan objectiviteit –     alleszins verkeerdelijk de indruk dat het enkel gaat om leefloners.  Ja, de aanvullende steun gaat in eerste instantie naar gerechtigden op leefloon en steun equivalent leefloon, maar men maakt geen voorbehoud voor mensen die een ander inkomen hebben en volgens de berekening (referentiebudget volgens gezinssituatie) in aanmerking komen.

Er zijn voorwaarden tot toekenning steun !
–  Er moet een duurzame verblijf- en woonsituatie worden bewezen.  Mensen met tijdelijk verblijf en daklozen komen niet in aanmerking.  Evenmin mensen zonder legale verblijfplaats, met uitzondering voor kinderen ten laste waarvan de verblijfsituatie nog niet geregulariseerd is
–  Rechten op andere uitkeringen zijn uitgeput.
–  Transparantie over ALLE inkomsten van ALLE gezinsleden.
–  Inzet op daling van de uitgaven is nodig.  Bijv. inschrijven voor en sociale woning, overschakelen naar gunstiger energiecontracten.

En wie komt er in het geheel niet in aanmerking?  
–  Schorsingen in het recht op werkloosheidsuitkeringen .
–  Schorsingen in het recht op ziekte- of invaliditeitsuitkeringen.
–  Personen onder elektronisch toezicht.
–  Studenten.
(…)

P.S.
Naar schatting zouden er 170 dossiers in aanmerking komen.
Aanvullende steun kan er pas na 3 maanden komen,  – tijd nodig om de sociale situatie volledig in kaart te brengen.

Hoe hoog bedraagt de aanvullende steun?
Er is een kritische grens:  de aanvullende steun wordt afgetopt zodat het inkomen in totaal nooit het minimumloon overstijgt.  Er moet nog altijd een kloof zijn tussen een inkomen uit werken en een vervangingsinkomen om de werkloosheidval te vermijden.
Het spanningsveld tussen het minimumloon en  het ‘Kortrijks Menswaardig Inkomen’  (KMI) zou 35 procent kunnen bedragen voor alleenstaanden, 25 procent voor koppels en gezinnen met uitsluitend meerderjarige kinderen,  en 15 procent voor gezinnen met minderjarige kinderen of één meerderjarig studerend kind ten laste.
Het gemiddeld bedrag in opleg op leefloon zou 114 euro bedragen.  (Er circuleren andere bedragen in de kranten.  Op de website van de landelijke SP.a bijv. 125 euro.)
Méérkost op het OCMW-budget: een kleine 205.000 euro per jaar.

 

Kortrijks OCMW voert nieuwe berekening in voor aanvullende steun aan leefloners (2)

Op donderdag 5 juli viel hierover een beslissing in de OCMW-raad.
De klassieke drie lokale persjongens (die zelfs de toelichting bij de agenda van de Raad niet lezen) zijn hierover traditioneel al van tevoren ingelicht  – en tot ze het allemaal verstaan-  door de OCMW-voorzitter Philippe De Coene (SP.a), maar waren zo journalistiek-deontologisch zo kies om daar pas  de dag erna , op vrijdag 6 juli hierover te berichten.

Meest inslaande kop stond in “Het Nieuwsblad”:  “Leefloners kunnen tot 400 euro meer krijgen als ze werk willen zoeken”.  En in “Het Laatste Nieuws” laat de OCMW-voorzitter uitdrukkelijk weten dat het niet gaat om een verkiezingsstunt.  “We zijn er al meer dan een jaar mee bezig (…) en tijdens de jaarwisseling zijn we een kijkje gaan nemen in Gent waar het systeem al werkt'”.
(Ter info.
In Gent is de nieuwe berekeningsmethode ingevoerd door de OCMW-voorzitter en schepen Rudy Coppens (12 bezoldigde mandaten en 14 onbezoldigd).  Hij is nu ook lijsttrekker en kandidaat-burgemeester bij de volgende verkiezingen.
Tot daar.)

In september 2013 heeft ons OCMW beslist om de tool REMI aan te wenden voor de begeleiding van ‘cliënten’ in budget- en schuldhulpverlening en om de webapplicatie aan te wenden als  referentiekader om aanvullende steun toe te kennen.  REMI staat voor “Referentiebudget voor een Menswaardig Inkomen” en is ontwikkeld om een antwoord  te vinden op de vraag  hoeveel inkomen een gezin nodig heeft om op een menswaardige manier te kunnen participeren aan de samenleving.
Maar REMi houdt gen rekening met de minimumlonen en is een ingewikkelde berekeningstool zodat ons OCMW tot nu toe slechts zeer selectief een recurrente maandelijkse steun toekende.  Zo genoten in 2017 bijv. slechts 73 cliënten van REMI.  En het ging zeker niet noodzakelijk om leefloners.

In navolging van Gent (en Roeselare) zal ons OCMW vanaf september dit jaar een vlotter, rechtvaardiger en meer gestandaardiseerde aanpak en beleidslijn voor aanvullende steun toepassen.
Men zal daarbij gebruik maken van een computermodel van het ICT-bedrijf LOGINS uit Mechelen.

In onze lokale gazetten van 6 juli wordt telkens (door de OCMW-voorzitter) benadrukt dat enkel wie  actief een job zoekt een hoger leefloon krijgt.  Maar met de applicatie REMI primeerde ook al het activeringsprincipe!  Cliënten werden in eerste instantie begeleid in het uitputten van hun rechten en het verwerven van een inkomen op basis van eigen inspanningen.

Wellicht zal er met het nieuwe systeem nog intensiever worden ingezet op doorstroming naar tewerkstelling en zal men zelfs aanvullende steun weer intrekken indien er onvoldoende inspanningen worden geleverd op vlak van activering.  Schorsingen in het recht op werkloosheidsuitkering, niet naleven van afspraken met maatschappelijk werkers of trajectbegeleiders, uitoefenen van irregulier werk,…, zijn aanwijzingen om geen aanvullende steun toe te kennen of in te trekken.

(Wordt vervolgd.)

 

Kortrijks OCMW voert nieuwe berekening in voor aanvullende steun aan leefloners (1)

Staat vandaag op de agenda van de OCMW-raad.
In de gazetten zult u daar pas over lezen als d e OCMW-voorzitter hieromtrent een nota stuurt naar onze lokale pers.  (Ongetwijfeld met foto van hem en enkele hiertoe aangemaande genodigden.)

Algemeen wordt aangenomen dat de bedragen van het leefloon te laag zijn om volwaardig te kunnen participeren aan het maatschappelijk leven.
Voorheen berekende ons OCMW  aan de hand van een tool  genaamd REMi (Referentiebudget voor een Menswaardig Inkomen) de nodige aanvullende steun voor bepaalde leefloners.   In 2017 genoten hiervan 73 “cIiënten” (eigenlijk niet noodzakelijk leefloners, maar bijv. ook personen met een zware schuldenproblematiek).

Nu wil ons OCMW een rekensysteem invoeren dat al in Gent en Roeselare wordt toegepast.
Eind 2017 waren er hier 851 dossiers Leefloon- equivalent leefloon op dagbasis.
In het nieuwe systeem zouden vanaf september daarvan 20 procent (170 dossiers) in aanmerking komen voor een vorm van aanvullende steun.
Gemiddelde opleg 114 euro per maand.
Raming meerkost voor het OCMW-bugtet ca. 205.000 euro.

P.S.
Méér nieuws hierover als we de gazetten hebben gelezen.

De beste plaatsen op de lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen

Binnen alle partijen is men nu natuurlijk – en meestal in de duik – bezig met de lijstsamenstelling.  In Kortrijk zijn  de koplopers gekend en soms ook de lijstduwers.
Dat zijn natuurlijk de beste plaatsen, samen met de eerste drie.  Hoogstens vijf.
Volgens het Belgisch Staatsblad van 19 februari telt  Kortrijk 76.242 inwoners en hebben we dus weer recht op 41 raadsleden (met daarin maximaal 7 schepenen).

In Kortrijk stemmen we met de stemcomputer en een volledige lijst van 41 kandidaten wordt op het beeldscherm dan weergegeven in drie kolommen van 14, nog eens 14 en dan 13.
Goeie (opvallende) plaatsen in de eerste kolom zijn dus de nummers 1 en  14.  In de tweede kolom nr.  15 en nr. 28 en in de derde kolom nr. 29 en 41.

Onregelmatige persoonscontroles tijdens de sinksenfeesten in Kortrijk

Tijdens de Sinksenfeesten waren er twee locaties tijdelijk geprivatiseerd; de verlaagde Leieboorden en het Schouwburgplein.
Via een tijdelijke politieverordening was er aldaar een private bewakingsdienst mogelijk.
Maar –  zo kon CD&V-raadslid en federaal parlementariër Roel Deseyn constateren – waren er ook buiten die zones  (bijv. het Conservatoriumplein) bewakingsagenten actief.  Zij ontzegden zelfs aan mensen de doorgang en vonden dat het meenemen van dranken (buiten de zone) van het ene plein naar een andere plaats  niet kon.

Raadslid  Deseyn heeft daarover een aantal schriftelijke vragen gesteld aan het College van Burgemeester en Schepen (CBS) en kreeg daar nogal opvallend vlug een antwoord op,
1.  Vraag.
Wat dacht het College zoal over het verbod om dranken mee te nemen van de ene locatie naar een andere?
Antwoord CBS :
–  Het college acht het NIET wenselijk dat er tijdens de Sinksenfeesten  een verbod is om dranken van de ene naar de andere plaats in de binnenstad mee te nemen.  (Maar wel niet in glazen flessen.)
–  Er was een samenwerkingsovereenkomst met de organisatoren (Café 56 en bvbA Nuba-R) dat bezoekers dranken mochten meenemen van het ene plein naar het andere.
–  Er was dus geen wettelijke of reglementaire basis om dit te verbieden.
Maar we begrijpen dat commerciële organisaties van een degelijk gratis festival (zonder enige financiële steun van Stad) afhankelijk zijn van de drankverkoop.

2. Vraag.
(Geparafraseerd.)  Wat vindt het CBS  zoal van private  bewaking?
Antwoord CBS:
–   Bewakingsagenten  kunnen ingezet op het openbaar domein n.a.v. een evenement. Zij hebben niet langer een voorafgaande goedkeuring van de burgemeester nodig.
–  Zij kunnen (zelfs op systematische wijze) overgaan tot oppervlakkige fouilles van personen  en controle van bag met het oog op het opsporen van gevaarlijke voorwerpen.  Maar hun macht overstijgt deze van de Politie niet.
–  Vrijwilligers die aan persoonscontrole doen  (in voetbaltermen “stewards” genoemd) mogen dezelfde taken uitvoeren maar hebben hiervoor wél de voorafgaande goedkeuring van de burgemeester nodig.
–  Alvorens bewakingsagenten kunnen optreden op publiek domein moet de betreffende zone geprivatiseerd worden.   Dit gebeurt middels een politieverordening die door de gemeenteraad is aanvaard.
–  In dit geval (Conservatoriumplein) is dit hier dus niet gebeurd.
Het Conservatoriumplein behoorde niet tot de geprivatiseerde zone van de Sinksenfeesten  (Bestraffing kan bijv. door Min.  Binnenlandse Zaken – dienst private veiligheid.
–  De inzet van bewakingsagenten op deze site werd vooraf besproken met de organisatoren en geadviseerd door het veiligheidsoverleg van Sinksen. De vzw Feest in Kortrijk zal er
 in de toekomst over waken dat alle pleinen waar private bewaking plaats vindt geprivatiseerd wordt.

P.S.  van kortrijkwatcher.
Inname van openbaar domein is belast.
In het Kortrijks reglement is één enkel plein vernoemd: het Schouwburgplein.
15 euro ‘per eenheid’  Maar wat is tijdens de Sinksenfeesten “een ‘eenheid”‘?
Hebben de organisatoren ook belasting betaald voor de Leieboorden? Per eenheid??

Parkeerboeten in de eerste drie maanden van dit jaar

In stadhuistaal heeft men het over “belasting op parkeren” of ook over “naheffingen”.
Die boeten bedragen 25 euro en slaan op vier vormen van ‘overtredingen’.
Bijvoorbeeld niet-betalen in betalende zone, of te lang parkeren.  Blauwe kaart niet gebruiken.
We hebben het hier dus niet over “parkeerinbreuken tegen stilstaan en parkeren”, die beteugeld worden met een Gemeentelijke Administratieve Sanctie (GAS).

  • Kohier van januari 2018 :
    2704 ingeschrevenen = 67.600 euro
  • Kohier van februari:
    1963 ingeschrevenen = 49.75 euro
  • Kohier van maart:
    2349 ingeschreven = 58.725 euro

Men kan  – wel na betaling – (schriftelijk) bezwaar indienen bij het College.  Vaak achteraf pas zéér laat behandeld.
Even ter info.
November 2017 was een recordmaand:  5.185 ingeschreven = 129. 625 euro.

“Kiezer, u wordt bedrogen”

Onder deze titel stond in de doorgaans heel “zakelijke” krant ‘De Tijd’ op 9 juni (pag. 14) een lezenwaardig artikel over geheime afspraken (voorakkoorden) voor het smeden van coalities (en verdelen van postjes) , nog voor de verkiezingsuitslag in een gemeente is gekend.
En waarlijk, stad Kortrijk komt er opmerkelijk ter sprake, naar aanleiding van de stembusgang voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2012.
We citeren uit dit stuk een volledige alinea, met een merkwaardig slot.

“CD&V is er rotsvast van overtuigd dat aan de basis van de putsch van Vincent Van Quickenborne (Open VLD) in Kortrijk in 2012 een voorakkoord lag. Van Quickenborne sloot onmiddellijk na de verkiezingen van 2012 een coalitie met de N-VA en de sp.a en werd burgemeester, ook al was de CD&V van Stefaan De Clerck veruit de grootste partij. Van Quickeborne heeft altijd ontkend dat er een voorakkoord was, maar bij de CD&V beweren ze zelfs te weten wanneer dat gesloten is: op 11 juli 2012.

Dat was dus op een woensdagnacht, na (uit de hand gelopen?)  Vlaamse feestelijkheden??

P.S.
Er nog even aan herinneren (want de kranten zwijgen daar nog altijd steevast over) dat de huidige tripartite samen met moeite 51% van de stemmen behaalde.
De coalitie die zichzelf  zonder schaamte en met de obligate medeplichtigheid van de lokale perse nog altijd bestempelt al zijnde een  STADscoalatie.
In  de gemeenteraad van onze centrumstad is de tripatite haar meerderheid in zetels kwijt is geraakt.  Geen modale Kortrijkzaan die dit weet.

Decretaal bekeken bestaat de coalitie niet eens meer!
Er zijn nu namelijk vier onafhankelijke raadsleden.
Steve Vanneste (N-VA) werd uit de partij gezet.   Schepen Waelkens (N-VA) nam zelf ontslag “omdat zij toch niets te zeggen had”.   De twee VB’ers (Maarten Seynaeve en Isa Verschaete) zegden hun lidmaatschap bij het Vlaams Belang op maar redden de tripartite doordat zij nu de N-VA steunen bij de stemmingen.  (Al is dat al één keer mislukt.  Stond niet in de krant.)

Kansarmoede-index even relativeren (4)

Onze OCMW-voorzitter en schepen Philippe De Coene toont zich daar een meester in.
In de vorige editie van deze krant vertelden we daarover.  Hoe hij bij meevallende (dalende) indexcijfers van ‘Kind en Gezin’ voor Kortrijk meteen van oordeel was dat men dit had te danken aan zijn armoedebestrijdingsplan.
Maar nu de indicatoren van kinderen in kansarme gezinnen in Kortrijk al tweemaal zeer fors zijn gestegen luidt het plots dat er “geen oorzakelijk verband (bestaat) tussen de jaarlijks index en de lokale inspanningen (of het gebrek eraan). (“De Morgen” van 13 juni.)
Meer linksgerichte armoededeskundigen (bijna allemaal) wijten de stijgingen van de index in Vlaanderen overigens aan het gevoerde regeringsbeleid, zowel federaal maar vooral Vlaams.  (En niet in het minst en bovenal ligt de schuld bij minister Liesbeth Homans.)  Zij vinden dat de bevoegde ministers meer doorgedreven structurele inspanningen moeten leveren op het vlak van tewerkstelling, inkomensbeleid, dienstverlening (bijv. kinderopvang), huisvesting. Enzovoort.

Op te merken valt dat ook ‘Kind en Gezin’ zelf een genuanceerde toelichting verstrekt over de interpretatie van evoluties van de kansarmoede-index.
Wat voor zaken moet men in het achterhoofd houden als men de index wil gebruiken om beleid te beoordelen?
1.
K&G beoordeelt kansarmoede enkel voor zeer jonge kinderen.  Inspanningen  of trajecten in lokaal beleid voor alle kansarme gezinnen/kinderen vertalen zich daarom niet in een daling van de cijfers.  (In Kortrijk is bijvoorbeeld het effect van de casemanagers in 254 gezinnen en de brugfiguren in de basisscholen bij mijn weten niet gekend.)
2.
De registratie  is een momentopname.   Inspanningen of trajecten die in de concrete gezinnen worden opgezet, leiden niet tot een nieuwe beoordeling (registratie).
3.
Door de berekeningswijze is de index ook gevoelig voor verhuisbewegingen en voor de instroom van inwijkelingen waar bijv. lokale besturen niet altijd vat op hebben.
4.
Door de rollende berekening van de index werken kansarmoedecijfers uit en bepaald geboortejaar 3 jaar door op  de index.
5.
K&G bekijkt de kansarmoede op 6 levensdomeinen.  Beleid dat zich op andere zaken richt zal niet zichtbaar zijn in de cijfers.
6.
Werken aan meer structurele factoren (zoals bijv. de arbeidssituatie) zal pas na geruime tijd effect hebben.

En K&G besluit:
De kansarmoede-index lijkt ons dan ook minder geschikt om het succes of falen van recente beleidsinspanningen aan te tonen.  De  index is  vooral een belangrijke signaalindicator voor beleidsmakers die aangeeft dat er absoluut beleidsinspanningen nodig zijn.

Kansarmoede-index even relativeren (3)

Toen het bij OCMW-voorzitter Phillipe De Coene (SP.A) begon te dagen dat tussen 2009 en 2012 volgens de metingen van Kind&Gezin de ‘kinderarmoede’ in Kortrijk was  gestegen van 7,5% naar niet minder dan 18% viel hij bijna van zijn schepenstoel.  Een en ander was duidelijk te wijten aan slecht beleid van de vorige coalitie (CD&V en VLD) en zeker niet aan  het armoedebeleid van SPA-minister Ingrid Lieten die met miljoenen gooide naar lokale projecten.

Vandaar dat de schepen van armoede al eind 2013 triomfantelijk uitpakte met een heel ambitieus armoedebestrijdingplan met 185 (200? ) acties die in de periode 2013-2109 wel 30 (32?) miljoen mochten kosten.
En jawel hoor.
In 2014 zakte de K&G-indicator naar 15,9% en zelfs naar 12,9% in 2015.
“Het plan rendeert,” zo liet de schepen via WTV weten aan de bevolking.  En her en der (tot in het buitenland toe) werd hij gevraagd om zijn beleid uiteen te zetten.

Maar toen viel de eerste bom.
Een nieuwe K&G-index voor Kortrijk (gepubliceerd in juni 2017) inzake ‘kinderarmoede’ steeg van 12,9% (2015) naar 17,4 %.   Niet significant verschillend van de rampzalige 18% onder het vorige bestuur.
Via de plaatselijke media liet de schepen weten dat hij waarlijk heel verrast keek naar die forse stijging van de ‘kinderarmoede’.  “We gaan onmiddellijk contact zoeken met K&G om een “rekenkundige interpretatie” te doen van de cijfers,” (WTV 16 juni 2017).  Hij  zou ook (met een groep experten) de cijfers in detail analyseren en waar nodig het beleid bijsturen.  (HLN 17 juni 2017.)
Niets meer van gehoord.

Terwijl er intussen alweer een bom is gevallen.
Op 12 juni ll. kwam K&G op de proppen met een nieuwe kansarmoede-index, ook voor de deelgemeenten van Kortrijk.  In de periode 2015-2017 steeg het aantal kinderen tussen nul en drie jaar, levend in een kansarme gezinssituatie van Kortrijk-Stad van 24,0%  naar 25,4%.  Enkel in de deelgemeente Bissegem was er een (lichte) daling.

In “De Morgen” (13/06/2018) heeft schepen De Coene daar kwik op gereageerd.
(Wist hij al van die gegevens?)

Op een verrassende wijze die toch wel  – voor wie hem kent –  te verwachten viel.
–  Eerst schrijft hij dit: “In een gemeente waar de cijfers dalen, heeft het bestuur de neiging om zich op de borst te kloppen.  Stijgende cijfers dienen plaatselijk dan weer als munitie om er het bestuur het vuur mee aan de schenen te leggen.”
(Jawel. De schepen zelf heeft zich daar in het verleden duchtig aan bezondigd.)
–  Maar nu schrijft hij dadelijk hierna het volgende:  “De cijfers worden daarmee echter oneigenlijk gebruikt en dus niet waarvoor ze bedoeld zijn.”
– En hij vervolgt met een citaat:  “Kind en Gezin zelf laat gemeenten weten dat “de kansarmoede-index minder geschikt is om het succes van allerhande lokale inspanningen op korte termijn te  meten”.
( De tekst bij K&G is lichtjes verschillend: “…minder geschikt om het succes of falen van recente beleidsinspanningen aan te tonen.  De index is vooral  een signaalindicator  (…) dat er absoluut beleidsinspanningen nodig zijn.”)

“Anders gezegd  – zo vervolgt de schepen stellig –  er is geen oorzakelijk verband tussen de jaarlijkse index en de lokale inspanningen (of het gebrek eraan).”
De schepen roept bij deze vaststelling de hulp in van de onvermijdelijke armoededeskundige en bevriende Wim Van Lancker die al bij de lancering van de index in 2017 (??) tweette:  “Als de nieuwe armoede-cijfers iets duidelijk maken, dan wel dat ze ongeschikt zijn om het effect van lokaal beleid te meten.”
(De prof haat zowat Liesbeth Homans:  ” Met dit regeringsbeleid kan men geen daling verwachten.” (DM van 13/06/2018.)

Anderzijds is schepen De Coene toch van oordeel dat de cijfers van K&G wel degelijk (potentiële) gebruikswaarde hebben.  Maar dan moeten gemeenten weten welke mensen (gezinnen) achter die cijfers schuilen.  Hij doet een oproep aan K&G: “Laat het ons, met hun toestemming weten.”
Vandaar ook de titel van zijn stuk in DM:  “Geef ons de mensen achter de armoedecijfers.”
(Wat met het beroepsgeheim bij K&G??)

(Wordt vervolgd.)

Recente kansarmoedecijfers voor Kortrijk en de deelgemeenten (2)

Op 12 juni publiceerde “Kind en Gezin” opnieuw zijn kansarmoedecijfers voor alle Vlaamse gemeenten en bepaalde gebieden.
Laten we wat ingaan op de betekenis van die cijfers en hoe men daartoe komt.
(Er bestaan daar heel wat misverstanden over.)

Wat is kansarmoede?
Niet te verwarren met het begrip ‘armoede ‘op zichzelf.
Bij armoede is enkel het financiële tekort benadrukt.  Het beschikbaar inkomen (van het huishouden) ligt dusdanig laag dat men niet meer in staat is om met dat bedrag te voorzien in de meest elementaire behoeften.  (Een alleenstaande bijv. die netto per maand moet leven van 1.139 euro verkeert in ‘monetaire risico-armoede’.)
Bij kansarmoede gaat het om een multi-aspectuele armoede-situatie.
Naast een relatief laag inkomen wordt deze armoede gekenmerkt dan door een veralgemeende achterstelling of zelfs uitsluiting op het vlak van opleiding en vorming, huisvesting, welzijn en gezondheid, vrijetijdsbesteding en cultuur, politieke en sociale zeggingskracht.
“Kind en Gezin” omschrijft kansarmoede dus als volgt:
“Kansarmoede is een toestand waarbij mensen beknot worden in hun kansen om voldoende deel te hebben aan maatschappelijk hoogwaardige goederen  (zoals onderwijs, arbeid, huisvesting).  Het gaat daarbij niet om een eenmalig feit, maar om een duurzame toestand op verschillende terreinen, zowel materiële als immateriële.”

Hoe wordt geregistreerd of een kind in kansarmoede leeft?
Tijdens hun contacten gaan de regioteamleden van “Kind en Gezin” (verpleegkundigen en gezinsondersteuners) na of er signalen zijn van kansarmoede.
De registratie gebeurt normaliter eenmalig en doorgaans de eerste maanden na de geboorte.  Het is dus een momentopname die latere wijzigingen in de levensomstandigheden niet capteert.
De inschatting van kansarmoede gebeurt voor alle boorlingen waarmee K&G minstens één contact gehad heeft, dus – volgens K&G – voor meer dan 95 procent van de populatie. (Tja.)

Hoe wordt bepaald of een kind in kansarmoede leeft?
De regioteamleden van K&G toetsen elk gezin met een geboorte aan zes vooropgestelde criteria:
–  het beschikbaar maandinkomen van het gezin
–  de opleiding van de ouders
–  de arbeidssituatie van de ouders
–  de ontwikkeling van de kinderen (stimulatieniveau)
–  de huisvesting
–  de gezondheid
Per beleidsdomein wordt een ondergrens bepaald.  (Die we hier nu niet even niet opsommen want te ingewikkeld en ons niet concreet gekend.)
Wanneer nu de leefomstandigheden van een gezin op minstens 3 van de 6 criteria zich op of onder de ondergrens bevinden, dan spreken we over kansarmoede in het gezin.

Berekening van de kansarmoede-index.   
In een vorig stuk zagen we dat de index voor Kortrijk-stad gestegen is van  24,0% naar 25,4 %.  Hoe moeten we dat nu verstaan?
De kranten benadrukken dit te weinig:  het aangegeven indexcijfers slaat op een gemiddelde over een periode van drie jaar. Het Kortrijkse cijfer  van 25,4% slaat dus niet enkel op het jaar 2017, maar wel op de periode 2015-2017.
De kansarmoede-index van het jaar X  is het resultaat van een deling (maal 100).
In de teller staat het aantal kinderen geboren in het jaar X, X-1 en X-2 dat leeft in kansarmoede, en in de noemer het totaal aantal kinderen geboren in dezelfde drie jaren in  de betreffende gemeente of gebied.

Concreet.
Als de indicator van K&G voor Kortrijk-stad bijv. zegt dat die 25% bedraagt dan betekent dit dat in de stad 25 procent van de kinderen tussen 0 en 3 jaar leven in een kansarme situatie.

P.S.
In een volgend stuk gaan we in op de kwestie of de kansarmoede-index kan (mag) gebruikt worden om het succes of het falen van (lokaal) beleid te verklaren.
Voor onze schepen van armoede (de OCMW-voorzitter Philippe De Coene ) is dit een zeer prangende vraag.  Hij weet er geen weg mee.  (Wij ook niet.)

Weblog over het reilen en zeilen in de Kortrijkse politiek door Frans Lavaert